Wat als onze kinderen niet méér druk nodig hebben?
Bijgewerkt op: 5 dagen geleden
De resultaten van het nieuwste PISA-onderzoek zijn bekend en opnieuw dalen de leerresultaten van onze kinderen. De bezorgdheid daarover begrijp ik. Natuurlijk vind ik het belangrijk dat kinderen goed leren lezen, rekenen en nadenken. Maar zodra zulke cijfers verschijnen, hoor ik bijna altijd dezelfde antwoorden: kinderen moeten harder werken, meer oefenen, vroeger beginnen en zich beter concentreren.
En ik denk dan vooral: hoe komt het eigenlijk dat zoveel kinderen minder gemotiveerd zijn, moeite hebben met leren en dat hun resultaten achteruitgaan?
Vanuit Aware Parenting ga ik ervan uit dat kinderen van nature willen leren, groeien en meewerken. Kijk naar een jong kind dat de wereld ontdekt. Het stelt vragen, probeert, valt, staat weer op en wil weten hoe alles werkt. Dat verlangen hoeven wij er niet in te steken. Het is er al. Wanneer het niet meer zichtbaar is, vertelt mij dat niet dat een kind lui is of harder aangepakt moet worden. Het vertelt mij dat er iets in de weg zit. Dat er iets dwarszit.
Dus voor we nóg meer in kinderen proberen te duwen, wil ik nieuwsgierig worden. Wat leeft er in hen? Wat dragen ze? Welke noden worden niet ingevuld? Wat maakt dat hun natuurlijke nieuwsgierigheid naar de achtergrond verdwijnt?
Dit is geen neutrale analyse van het PISA-rapport en ook geen kant-en-klaar plan voor het onderwijs. Het is wat ik zie wanneer ik naar die resultaten kijk vanuit mijn visie op kinderen. Want cijfers zijn cijfers. Hoe we ze verklaren en wat we vervolgens met onze kinderen gaan doen, vertrekt altijd vanuit een bepaald mens- en kindbeeld.
Misschien zit er al te veel in
Kinderen zitten vaak van ’s morgens tot ’s avonds in een ritme van moeten. Opstaan, op tijd op school zijn, stilzitten, luisteren, opdrachten maken, overgangen volgen en functioneren in een klas vol andere kinderen. Daarna komt er huiswerk, een hobby, nog ergens op tijd moeten zijn en nog even doorzetten. Zelfs hun vrije tijd wordt vaak ingevuld met activiteiten waarvan wij denken dat ze goed zijn voor hun ontwikkeling.
Maar hoeveel tijd blijft er nog over om gewoon te zijn? Om thuis te komen en niets te moeten? Om bij hun ouders te zijn, te bewegen, zich te vervelen, te rommelen, buiten te lopen, te spelen en te voelen wat er doorheen de dag allemaal is gebeurd?
Mannekes, wij zijn geen robots. Onze kinderen ook niet. Misschien hebben zij niet méér nodig, maar minder te dragen. Meer tijd om kind te zijn.
We spreken vaak over kinderen leren omgaan met stress, alsof we hen bewust aan extra stress moeten blootstellen om hen voor te bereiden op het leven. Maar hun zenuwstelsel is nog volop in ontwikkeling. Natuurlijk kunnen we niet voorkomen dat ze grenzen, teleurstellingen, verlies en moeilijke momenten meemaken. Het leven zal hen onvermijdelijk met stress in aanraking brengen. Precies daarom hoeven wij niet nog meer vermijdbare stress toe te voegen. Kinderen hebben volwassenen nodig die nabij blijven bij wat ze niet konden voorkomen en ruimte helpen maken voor gevoelens, ontlading en herstel.
Dat klinkt misschien eenvoudig: meer nabijheid en verbinding. In werkelijkheid vraagt dat iets wat in veel gezinnen en klassen ontzettend schaars is geworden: tijd en draagkracht.
Ouders proberen alle ballen in de lucht te houden. Werken, halen, brengen, koken, wassen, huiswerk begeleiden, luisteren en zelf overeind blijven in een maatschappij die ook van hen voortdurend meer vraagt. Leerkrachten staan met hun hart voor gigantisch grote en diverse klassen. Ze moeten lesgeven, differentiëren, doelen halen, administratie bijhouden, conflicten opvangen en ervoor zorgen dat een lokaal vol kinderen werkbaar blijft.
In zo’n volle omgeving is het niet vreemd dat een klas luid en druk wordt. Het is ook niet vreemd dat vroege signalen gemist worden. Een kind praat door de les, dwaalt af, weigert te beginnen, maakt ruzie of stoort andere kinderen. Wanneer er nauwelijks tijd is om stil te staan, wordt gedrag al snel iets wat zo vlug mogelijk moet stoppen. Dan grijpen we naar wat de groep op korte termijn beheersbaar maakt: regels, straffen, beloningen en gevolgen.
Niet omdat ouders of leerkrachten niet om kinderen geven. Maar omdat iedereen overbevraagd is.
En zo houden we met z’n allen iets in stand. Het kind toont dat er iets moeilijk is. De volwassene heeft onvoldoende ruimte om te onderzoeken wat eronder zit en probeert het gedrag bij te sturen. Wanneer dat niet werkt, besluiten we dat het kind meer structuur, meer consequenties of meer oefening nodig heeft. Het signaal wordt sterker, de controle neemt toe en de nieuwsgierigheid verdwijnt.
Vanuit Aware Parenting wil ik gedrag net als communicatie bekijken. Wat denkt dit kind? Wat voelt het? Wat heeft het nodig? Verbinding op school betekent voor mij dan ook niet dat een leerkracht ieder kind voortdurend individuele aandacht moet geven. Het betekent dat een kind niet alleen gezien wordt als iemand die leerstof moet verwerken en gedrag moet stellen dat binnen de klas past. Dat er ook iemand kan denken: er is een reden waarom jij afhaakt. Wat staat er tussen jou en je verlangen om te leren?
Alsof alles een kwestie van oefenen is
Wanneer resultaten dalen, klinkt het antwoord bijna banaal: vroeger beginnen en meer oefenen. Alsof ontwikkeling grotendeels maakbaar is wanneer we maar genoeg herhalen.
We gaan een baby toch ook niet maanden te vroeg staptraining geven uit angst dat hij anders later niet goed zal kunnen lopen? We geven hem bewegingsvrijheid, tijd, een veilige omgeving en kansen om te proberen. We zijn nabij en bieden een hand wanneer hij die nodig heeft. Maar we begrijpen dat een belangrijk deel van die ontwikkeling biologisch verloopt. We vertrouwen erop dat er iets in het kind zelf weet waar het mee bezig is.
Bij schoolse vaardigheden lijken we dat vertrouwen grotendeels kwijt te zijn. Alsof ieder kind op hetzelfde moment hetzelfde moet kunnen leren, zolang het maar voldoende oefent, luistert en zijn best doet. Wanneer het niet lukt, voegen we meer instructie, meer herhaling en meer druk toe.
Natuurlijk kan oefening een rol spelen. Sommige kinderen leren zichzelf lezen, zoals ze zichzelf ook allerlei andere vaardigheden eigen maken. Andere kinderen hebben meer uitleg, begeleiding of herhaling nodig. Maar ook dan is leren geen leeg vat vullen. Oefening kan ontwikkeling ondersteunen. Ze kan ontwikkeling niet afdwingen.
Kinderen voelen vaak heel goed aan wat ze nodig hebben voor hun cognitieve ontwikkeling. Ze keren spontaan terug naar wat hen boeit, herhalen uit zichzelf wat ze willen beheersen en nemen ongelooflijk veel informatie op wanneer iets binnen hun interessegebied valt. Dan kunnen ze zich verdiepen, verbanden leggen en uren bezig zijn met iets waarvan een volwassene misschien dacht dat het hen niet zou interesseren.
Op school vertrekken we nog vaak vanuit leerplannen die bepalen wat een kind op een bepaald moment zou moeten kennen. We stoppen informatie in hun dagen omdat wij besloten hebben dat die daar hoort, ook wanneer die informatie op dat moment helemaal niet voor hen leeft. Vervolgens zien we hun gebrek aan betrokkenheid en vragen we ons af hoe we hen beter kunnen motiveren.
Misschien is dat de verkeerde richting. Misschien hoeft motivatie niet voortdurend van buitenaf gecreëerd te worden. Misschien hebben we te onderzoeken wat wij doen waardoor het natuurlijke leerverlangen van kinderen steeds minder ruimte krijgt.
Spel hoort daar voor mij onlosmakelijk bij. Kinderen leren, verwerken, verbinden en oefenen door te spelen. Toch behandelen we spel als iets wat mag wanneer het echte werk af is. Als er na school, huiswerk, hobby’s en alle andere verplichtingen nog tijd overblijft. Maar wat als spel niet de beloning is na het leren? Wat als het een van de manieren ís waarop kinderen leren en hun ontwikkeling zelf vormgeven?
Ik zeg daarmee niet dat ieder kind alles volledig alleen zal leren of nooit begeleiding nodig heeft. Ik vraag me wel af waarom wij zo overtuigd zijn geraakt dat leren er vooral uitziet als een volwassene die bepaalt wat, wanneer en hoe een kind iets moet opnemen.
Waar bereiden we kinderen eigenlijk op voor?
Gabor Maté maakt een belangrijk onderscheid: onderwijs dat kinderen voorbereidt om te functioneren binnen de maatschappij zoals die vandaag bestaat, is niet noodzakelijk hetzelfde als onderwijs dat vertrekt vanuit hun ontwikkeling.
Die vraag voelt voor mij actueler dan ooit. We blijven kinderen voorbereiden op een toekomst waarvan we helemaal niet weten of ze ooit in die vorm zal bestaan. Door de opkomst van AI verandert onze wereld razendsnel. Bepaalde jobs zullen verdwijnen, andere zullen ontstaan en kennis die vroeger uit het hoofd beschikbaar moest zijn, kan vandaag in enkele seconden worden opgezocht.
Waar focussen we dan op in onderwijs? Welke basis hebben kinderen werkelijk nodig voor later? Natuurlijk blijven lezen, schrijven, rekenen, kennis en kritisch nadenken waardevol. Maar bereiden we kinderen werkelijk voor op de toekomst wanneer we hun nieuwsgierigheid, creativiteit, eigenheid en vertrouwen in hun eigen leervermogen onderweg onder druk zetten?
Ons onderwijs draagt nog altijd sporen van een industriële logica: kinderen van dezelfde leeftijd samen, grotendeels hetzelfde aanbod, hetzelfde tempo, vaste uurroosters en gestandaardiseerde uitkomsten. Dat betekent niet dat scholen ooit met één eenvoudig doel zijn ontworpen om fabrieksarbeiders te maken. Wel dat efficiëntie en beheersbaarheid diep in de organisatie zijn gaan zitten.
Ondertussen weten we zoveel meer over ontwikkeling, motivatie, stress, spel, relaties en leren. Toch zie ik die kennis lang niet altijd terug in de manier waarop een gewone schooldag wordt georganiseerd. We blijven ontwikkeling vaak behandelen alsof alles maakbaar is, als we maar vroeg genoeg beginnen en voldoende oefenen.
Misschien moeten we ons daarom niet alleen afvragen of kinderen klaar zijn voor de maatschappij. Misschien moeten we ons afvragen of de maatschappij — en het onderwijs dat haar weerspiegelt — nog wel afgestemd is op de ontwikkeling van kinderen.
Wat vertellen de cijfers ons werkelijk?
Ook de manier waarop we PISA-resultaten internationaal vergelijken, roept bij mij vragen op. Tegenover het ene land doen we het nog niet zo slecht, tegenover het andere gaan we achteruit. Maar waarom gebruiken we een ander land als ijkpunt voor hoe goed wij bezig zijn?
Een gemiddelde vertelt ons wat vaak voorkomt. Niet noodzakelijk wat gezond, goed of wenselijk is. Denk bijvoorbeeld aan vitamine D. Heel veel mensen kunnen binnen de zogenaamde normaalwaarden vallen, terwijl de waarde die nodig is voor een optimale gezondheid hoger ligt. Hoera, we vallen binnen de norm — maar misschien behoren we gewoon tot een grote groep mensen met een tekort.
Als kinderen in heel veel landen opgroeien met te weinig rust, tijd, spel en verbinding, wat zegt onze plaats binnen die groep dan werkelijk over hoe goed het met hen gaat? Een vergelijking kan ons informatie geven, maar ze bepaalt niet waar we als samenleving naartoe willen.
Het PISA-onderzoek bevat bovendien niet alleen cijfers over leerresultaten, maar ook over kinderen die gepest worden. Voor mij kunnen we die twee niet los van elkaar zien. Pesten beïnvloedt hoe een kind zich voelt, en hoe een kind zich voelt beïnvloedt hoe beschikbaar het is om te leren. Een kind dat bang is, zich onveilig voelt of voortdurend op zijn hoede moet zijn, leert niet onder dezelfde omstandigheden als een kind dat zich veilig en gedragen voelt.
Toch wordt ook pesten naar mijn ervaring nog vaak aan de oppervlakte aangepakt. Uiteraard moet het gedrag stoppen en moet een kind dat gepest wordt beschermd worden. Maar vragen we ook waarom een kind pest? Wat leeft er in die kinderen en in de groep? Het kind dat gepest wordt heeft bescherming en hulp nodig. Het kind dat pest heeft ook hulp nodig. Wanneer we alleen een slachtoffer en een dader aanduiden, hebben we het zichtbare misschien benoemd, maar de kern nog niet noodzakelijk geraakt.
Onze kinderen zijn de kanaries in de koolmijn
Ik denk niet dat onze kinderen het probleem zijn dat opgelost moet worden. Ik denk dat zij ons tonen waar het wringt in de wereld waarin wij hen vragen op te groeien. Zij zijn de kanaries in de koolmijn. Hun gedrag, klachten, stress, motivatie en leerresultaten vertellen ons iets.
Daarmee wil ik geen ouders, leerkrachten of individuele scholen onder de bus gooien. Dit is zoveel groter dan één persoon of één school. We zitten met z’n allen in patronen die zo gewoon zijn geworden dat we ze nauwelijks nog zien. Het is moeilijk om daarbinnen iets anders te kiezen, zeker wanneer iedereen al zoveel draagt.
Ik weet hoe moeilijk het is om als ouder ruimte te maken wanneer het leven al vol zit. Ik weet ook hoe moeilijk het is om vragen te stellen wanneer een school zegt dat iets nu eenmaal de regel is. Meteen duiken er stemmen op: wie ben ik om hier iets van te zeggen? Ben ik te toegeeflijk? Maak ik mijn kind het leven te gemakkelijk? Ben ik een slechte ouder omdat dit bij ons niet werkt?
Dat is ook waarom ik ouders begeleid. Niet om hen een nieuwe lijst oplossingen of een extra meetlat te geven. Wel om hen te helpen opnieuw horen wat hun kind én zijzelf nodig hebben onder alle verwachtingen van de buitenwereld. Zodat ze keuzes kunnen maken die passen bij hun waarden en hun gezin, ook wanneer de omgeving iets anders verwacht.
Ik heb niet dé oplossing voor ons onderwijs. Dit is vooral wat ik zie wanneer iedereen naar de cijfers kijkt en vraagt hoe we kinderen weer beter kunnen laten presteren: misschien moeten we minder snel proberen hen te veranderen en langer luisteren naar wat zij ons al vertellen.
Onze kinderen krijgen maar één kindertijd. Misschien is de belangrijkste vraag daarom niet hoe we hen opnieuw beter laten scoren, maar wat wij ondertussen vergeten zijn over hoe kinderen leren, groeien en mens worden.





Opmerkingen